Martin Heidegger

Voor het Langenharder Hebelboek

Vertaald door Johannes de Wit

De streektaal is de geheimzinnige bron van elke volgroeide taal.1 Uit haar stroomt al wat de geest van de taal in zich draagt ons toe.

Wat bevat de geest van een taal? Deze bewaart de onopvallende maar dragende betrekkingen tot God, tot wereld, tot de mensen en hun daden en tot de dingen.

Wat de taalgeest in zich draagt is dat hoge, alles doortrekkende, waarin alles zijn oorsprong vindt, zo dat het vruchtdraagt en geldt. Dit hoge en geldige leeft op in de taal en sterft met haar af zodra een taal de toestroom uit haar bron, de streektaal, moet ontberen. De dichter Johann Peter Hebel had dit goed begrepen.

Tot nog toe beseffen echter maar weinigen wat er aan schatten in Hebels Schätzkastelein2 verborgen ligt.

De Duitse schrijftaal, waarin Hebels vertellingen en beschouwingen zich uitdrukken, is de eenvoudigste, helderste en tegelijk betoverendste en stemmigste taal die ooit geschreven werd. De taal van de Schätzkastelein blijft het hoogst haalbare niveau voor iedereen die zich erop toelegt om kundig in deze taal te spreken en te schrijven.

Waarin ligt het geheim van Hebels taal? Niet in een gekunstelde stijl, noch in het doel zo volks mogelijk te schrijven. Het geheim van de taal van de Schätzkastelein ligt hierin: Dat Hebel in staat was om de Alemannische streektaal in de schrijftaal te vatten en deze – de schrijftaal – als echo van haar – de streektaal – te laten klinken.


  1. Deze tekst is een fragment uit de voordracht die Heidegger gehouden heeft voor gasten uit Bern in Zähringen, een stadsdeel van Freiburg im Breisgau. Dit fragment werd voor het eerst gepubliceerd in: Der Altvater - Heimatblätter der Lahrer Zeitung, Jaargang 12, nummer 48, p. 192, 9 december 1954. Inmiddels is de volledige voordracht als ‘Johann Peter Hebel (Zähringer Rede vom 5. September 1954)’ gepubliceerd in: Martin Heidegger, Reden und andere Zeugnisse eines Lebensweg: 1910 - 1976, redactie Hermann Heidegger, Gesamtausgabe, band 16 (Frankfurt am Main: Vittorio Klostermann, 2000), pp. 491-515. Dit fragment is terug te vinden op pagina’s 495-497. 

  2. Schatzkästlein des rheinischen Hausfreundes is een verzameling verhalen en kalendervertellingen van Johann Peter Hebel.